Home » Techniek » Basics - set-up

Basics - Set-up

Rating: 0 sterren
0 stemmen

Set-up wordt gegeven door de spelverdeler. Dit is een cruciaal moment in een rally. De kwaliteit van de set-up, bepaalt voor 80% de kwaliteit van de aanval. Ook is de spelverdeler een belangrijk positie, omdat het de brug vormt tussen de pass en de aanval. Elke rally komt de spelverdeler aan de bal. Het is niet voor niks dat de spelverdeler standaard de 2de bal krijgt. Verantwoordelijkheid en inzicht spelen een grote rol bij de taak van de spelverdeler. Verantwoordelijkheid, omdat de spelverdeler de laatste persoon is die passief gedrag mag aannemen. Inzicht, omdat de spelverdeler keuzes moet maken in welke aanval hij/zij wil opbouwen. De hoofdtechniek van de spelverdeler is het bovenhands spelen van de bal. Dat is ook wat we in de basics zullen uitleggen. Vervolgens zijn er verschillende set-up’s die de spelverdeler kan geven. Daar gaan we het later over hebben.

Zoals we als zeiden is het doel van de set-up een goede aanval opbouwen. Dit is afhankelijk van de pass. Zo kan de pass uit het net komen, of juist boven het netrand. Een belangrijk principe die we hanteren is het volgende: ongeacht de pass-kwaliteit, zodra de bal boven de grond gehouden wordt is de pass goed genoeg! Dat betekent dat het nooit de fout is van de passer als de bal “niet goed komt”. Dat heeft ermee te maken dat je als spelverdeler altijd iets kan doen met de bal. 80% van de ballen worden gegeven aan de passer-loper, ook wel buitenaanvaller genoemd bij 4-2 spelsysteem. Dit percentage is natuurlijk veel te hoog. Als dit het geval is bij het team waar jij training geeft, dan moet je de spelverdeler training geven op het keuzes maken (inzicht in het spel, dit is de S in de formule).

Dan de techniek, bovenhands. Bovenhandse techniek wordt gebruikt voor de set-up. Daarom zie ik persoonlijk ook geen verschil tussen de bovenhandse techniek en een “normale” setup (dat wil zeggen vanuit stand). Dat heeft er ook mee te maken dat de middenaanvaller/passer-loper/libero de set-up moeten overnemen, om een of andere reden. Een veel gebruikte excuus is “ik kan geen set-up geven, alleen bovenhands een bal omhoog spelen”. Dit is natuurlijk onzin en in mijn ogen een vorm van passief gedrag. De stapsgewijze uitvoering hieronder zal duidelijkheid geven wat bovenhands spelen inhoudt, en waarom er geen verschil zit in “bovenhands omhoog spelen” en een set-up.

Stapsgewijze uitvoering

  1. Uitgangshouding
    1. De start is afhankelijk van het spelsysteem.
    2. Belangrijk is dat er meteen explosiviteit plaatsvindt bij de afzet. Dit creëer je door spanning op de benen te zetten. Spanning op de benen doe je door je knieën (lichtelijk) te buigen en op de grond de duwen met je voeten (je steunvlakken). Optioneel is om je hakken van de grond af te houden (ook wel “op je voorvoeten” genoemd, hiermee creëer je grotere spanning en een hogere explosiviteit)
  2. Verplaatsing
    1. Op het moment dat de tegenstander de bal raakt bij de service, verplaatst de spelverdeler zich naar de afgesproken plek (meestal positie 2/3, dat is ook waar we vanuit gaan vanaf nu). Op tijd bij 2/3 betekent ruim voordat de passer de bal raakt. Kijk daarom als spelverdeler niet naar de bal voordat je op 2/3 staat. Eerst verplaatsen, dan anticiperen.
    2. Eenmaal op 2/3 moet de spelverdeler anticiperen op de bal die gepasst is. Zorg er daarom voor dat er nog spanning op de benen is, voor de explosiviteit mocht de bal uit het net gaan.
    3. De laatste 2 stappen van de spelverdeler is de “ta-dam” stap. Hiermee haal je de explosiviteit uit je beweging (bij de ta) en dan kan je weer explosiviteit creëren (als de bal bijvoorbeeld op het netrand komt, waardoor je moet springen) of juist geen explosiviteit (bij de dam). Voor een normale set-up haal je de explosiviteit helemaal eruit.
    4. De dam heeft ook een 2de functie: het evenwicht. De navel van de speler rust tussen de steunvlakken (de voeten) en hiermee voorkom je dat de speler het net invliegt. Met het evenwicht heb je ook meer controle over de bal: onthoudt eerst controle over jezelf als speler, dan controle over de bal. Verder moeten de voeten in een lichte spreidstand, op schouderbreedte en de knieën licht gebogen. In ieder geval 1 voet moet voor de ander en deze wijst naar de richting waar je de bal heen wilt spelen, optioneel is de rechter voor de linker, maar is geen must (in sommige gevallen is het zelfs niet haalbaar).
    5. De heupen zitten in een 45⁰ hoek (tussen rug en het net) en bij ontvangen van de bal draait de speler in door de heupen en schouders loodrecht op het net te houden.
    6. Armen zijn laag! Deze komen op het moment van balcontact pas omhoog, dit heeft te maken met de explosiviteit.
  3. Balcontact
    1. Dit is de daadwerkelijke bovenhandse techniek, maar het is gewoonweg onmogelijk om dit te scheiden, omdat de speelhouding niet meer overeenkomt. Bovenhands speel je namelijk met je hele lichaam en niet alleen met je armen.
    2. Als de heupen zich bevinden onder de bal, dan komen de armen omhoog met een felle beweging. Het is een standaardregel dat hoe langer je de bal vasthoudt, hoe meer controle je hebt. Nu worden spelers die dit proberen toe te passen afgefloten wegens plakbal. Plakbal voorkom je makkelijk door niet je handpalmen te gebruiken. Hiermee voorkom je ook dat je de bal meer wegslaat dan dat je de bal wegspeelt.
    3. Bal ontvangt de spelverdeler bij het voorhoofd. Bij het ontvangen moet de spelverdeler langs de bal het plafond kunnen zien en onder de bal door heen kunnen kijken.
    4. Vervolgens vormt de speler vervolgens een driehoek met de wijsvingers en duimen van beide handen. De middelvingers worden ook geplaatst op de bal voor meer controle. De pink en ringvinger spelen geen rol. Door middel van inveren kan de spelverdeler de kracht uit de bal halen en in de set-up nieuwe kracht creëren die afgestemd is op waar de bal moet komen.

Opmerking: Nu draait de speler in, zie 2.E

  1. Ten slotte creëert de spelverdeler explosiviteit door weer omhoog te komen: Begin bij de knieën, vervolgens ellebogen en nawijzen van de bal. Een optimale explosiviteit zorgt ervoor dat de speler van de grond loskomt.
  2. Een vlakke balbaan (snelle set-up) creëert de spelverdeler door de heupen naar achter te zetten, een verticale balbaan creëert de spelverdeler door de heupen naar voren te brengen.
  1. Vervolgactie
    1. Afhankelijk van de aanval die volgt van de set-up, moet de speler aanvalsdekking geven.

Tot zover het geven van een normale set-up. Een normale set-up is over het algemeen “traag”. Merk je echter dat je spelverdeler het geven van een set-up onder de knie krijgt, dan is het tijd om het spel van je team op een hoger tempo uit te voeren. Dat begint namelijk bij de set-up. Een manier om dit te doen is door middel van een sprong set-up. De kracht zit in de extra explosiviteit die vrijkomt bij het springen.

Er zijn ook andere variaties van het geven van een set-up. Een optimale spelverdeler hoort elke variatie uit te kunnen voeren. Elke pass kan namelijk anders aankomen en door middel van het anticiperen, voert de spelverdeler de bijhorende variatie uit. Zo zie je weer de volleybalformule terug:

A = S + T

Voor de spelverdeler is S (situatie/scenario) de pass. En de T (techniekvorm) de variatie. De set-up kent de volgende variaties:

  • Set-up 1e tempo
  • Set-up vlakke pass
  • Set-up met 1 hand
  • Set-up achterover
  • Set-up over grote afstand
  • Doortikbal

Er zijn nog meer variaties, maar die worden verder buiten beschouwing gehouden. Deze variaties komen het meest voor. De stapsgewijze uitvoering blijft voor een groot gedeelte hetzelfde, er zijn alleen enkele factoren die veranderen.